Tag Archives: aannames

Een vader vergeet..

3 Nov

Boekfragment

Dit fragment komt uit Carnegie’s long time best seller en is geschreven door een vader aan zijn zoon. De eerste keer is het stuk gepubliceerd in Readers Digest en vele malen erna geciteerd en gepubliceerd om te laten zien dat we soms te streng zijn voor elkaar.

door W. Livingstone Larned

Luister zoon, ik zeg dit terwijl je ligt te slapen, met een van je kleine handen onder je wang en met je blonde krullen plakkerig op je klamme voorhoofd. Ik ben stiekem in mijn eentje je kamer binnengeslopen. Nog maar een paar minuutjes terug zat ik in de studeerkamer mijn krant te lezen en werd ik overmand door een verstikkend gevoel van spijt. Met een gevoel van schuld sta ik nu naast je bedje.

Hier heb je dingen waaraan ik dacht, jongen: ik was boos op je. Ik heb op je gemopperd toen jij je aankleedde om naar school te gaan, omdat jij je gezicht alleen maar wat aaide met een vochtige handdoek. Ik nam je onderhanden omdat jij je schoenen niet had gepoetst. Ik riep boze woorden naar je toen je een paar van je spullen liet vallen.

Aan het ontbijt had ik ook al van alles op je aan te merken. Je morste. Je schrokte je brood haastig naar binnen. Je zat met je ellebogen op tafel. Je smeerde de boter veel te dik op je brood. En toen je buiten ging spelen en ik op weg ging naar min trein, draaide jij je om, wuifde naar me en riep: ‘Dag pappie!’ Waarop ik mijn wenkbrauwen fronste en bij wijze van antwoord zei: ‘Trek je schouders toch naar achteren!’

En ’s middags laat, begon het allemaal van voren af aan. Toen ik aan kwam wandelen ontdekte ik dat je op je knieen lag te knikkeren. Je had gaten in je kousen. Ik heb je toen voor de ogen van je vrienden vernederd door je voor me uit naar huis te laten marcheren. Kousen waren duur- en als jij ze zelf had moeten betalen zou je wel voorzichtiger zijn geweest!

Herinner jij je nog hoe je later, toen ik in de studeerkamer zat te lezen, heel schuchter binnen kwam, met die verdrietige blik in je ogen? Toen ik over de rand van mijn krant naar je keek, geirriteerd door de storing, bleef je aarzelend op de drempel staan. ‘Wat wil je?’snauwde ik je toe.

Je zei niets, maar rende stormachtig op me af, sloeg je armpjes om me heen en kuste me en je kleine armen omhelsden me met een affectie die alleen God in je hartje kon laten ontkiemen, een liefde die zelfs niet kan verdorren als gevolg van verwaarlozing. En weg was je, naar boven denderend over de trap.

Wel zoon, niet lang daarna gleed de krant uit mijn handen en werd ik overmand door een misselijkmakend gevoel van angst. wat heeft de gewoonte met mij gedaan? De gewoonte om altijd en eeuwig gebreken aan je te ontdekken en je standjes te geven- zo beloonde ik het feit dat je nog een jongen was. Dat kwam niet omdat ik niet van je hield; het kwam omdat ik teveel verwachtte van een kind. Ik hanteerde de maatstaven voor iemand van mijn eigen leeftijd.

Maar toch was er zoveel goeds en liefs en waarachtigs in je karakter. Dat hartje van je was even groots als de dageraad, daar boven de uitgestrekte heuvels. Dat bleek wel uit de spontane manier waarop je binnen kwam stormen om me goedenacht te kussen.

Vanavond doet er verder niets toe, zoon. Ik ben in het donker naar je bedje geslopen en kniel hier neer, vol schaamte.

Het is een zwakke poging tot boetedoen; ik weet dat je deze dingen niet zou begrijpen als ik je ze probeerde uit te leggen als je wakker was. Maar morgen zal ik een echte vader voor je zijn!

Ik zal met je spelen en zal verdriet met je hebben als je verdrietig bent en ook zal ik met je mee lachen als je lacht. En ik zal op mijn tong bijten als ik me ongeduldige woorden laat ontvallen. Ik zal dit telkens blijven zeggen, alsof je een ritueel betreft: ‘Hij is nog maar een jongen – een kleine jongen!’

Ik vrees dat ik me je voorstelde als een volwassen man. Maar nu ik je hier zie liggen, zoon, vermoeid en opgerold zie ik dat je nog maar een kind bent. Gisteren zat je nog op de arm van je moeder en rustte je hoofdje op haar schouder. Ik heb teveel van je gevergd, veel te veel..

Als het goed is dan is het goed, als het niet goed is dan is het soms ook goed..

1 Nov

Sprookje

Een arme Chinees riep de jaloezie op van de rijkste mensen van het land, want hij bezat een buitengewoon wit paard. Iedere keer als men hem voor het dier een fortuin aanbood, antwoordde de oude man: “Dit paard is meer dan een dier voor mij, hij is een vriend en ik kan hem niet verkopen?”


Op een dag verdween het paard. De buren die voor de lege stal bijeengekomen waren, gaven hun mening: “Arme idioot, dit was te verwachten dat dit dier gestolen zou worden. Waarom heeft hij het niet verkocht? Wat een ongeluk!”

De boer bleek wat bedachtzamer te zijn: “We moeten niet overdrijven, zei hij. We kunnen stellen dat het paard niet meer in de stal staat. Dat is een feit. De rest is een oordeel van uw kant. Hoe weet u of het een ongeluk of een geluk is? We kennen slechts een deel van deze geschiedenis. Wie weet wat er nog zal gebeuren?”

De mensen maakten de oude man belachelijk. Al heel lang vonden ze hem maar een onnozele idioot. Twee weken later kwam het witte paard terug. Het dier was niet gestolen, hij had zelf de benen genomen en was naar de groene weide gegaan. En na zijn escapade kwam hij terug met een twaalftal wilde paarden. Opnieuw kwamen de dorpelingen samen: “Je had gelijk. Het was geen ongeluk, maar een zegen.”

-“Zover wil ik niet gaan,” zei de boer. “Laten we ons beperken tot de constatering dat het paard is teruggekomen. Hoe weten we of het een geluk is of een ongeluk. Het is slechts een deel van een hele geschiedenis. Kunnen we door een zin te lezen de inhoud van een boek kennen?”

De dorpelingen gingen uiteen, ervan overtuigd dat de oude man raaskalde. Twaalf mooie paarden krijgen was ontegenzeglijk een gift uit de hemel. Wie kon dat nou ontkennen? De zoon van de boer nam de taak op zich de wilde paarden te dresseren. Een van hen wierp hem op de grond en vertrapte hem. De dorpelingen kwamen weer bijeen en gaven hun mening:
“Arme vriend! Je had gelijk, deze wilde paarden hebben je geen geluk gebracht. Je enige zoon is verlamd. Wie zal je bijstaan in je oude dagen? Je bent echt te beklagen!”
-“Niet zo snel,” antwoordde de boer. “Mijn zoon kan zijn benen niet meer gebruiken. Dat is alles. Wie weet wat het ons zal brengen. Het leven laat zich beetje bij beetje zien, niemand kan de toekomst voorspellen.”
Enige tijd later brak de oorlog uit en alle jonge mensen van het dorp moesten het leger in, behalve de invaliden.
“Oude man”, klaagden de dorpelingen, “je had gelijk. Jouw zoon kan niet meer lopen, maar hij blijft bij je terwijl onze kinderen de dood tegemoet lopen.”

Vrij verteld naar een sprookje van Lao Tse.

Nou ben ik het echt zat!

28 Okt

Dit grappig boekfragmentje stond al eerder op de Piekervrij site. We zetten hem bij deze nu ook onze blog. De anekdote is van Paul Watzlawick (in: Handleiding ongelukkig zijn) en vertelt over de impact van aannames.

Paul Watzlawick

Een man wil een schilderij ophangen. Hij heeft wel een spijker, maar geen hamer. De buurman heeft er wel een en daarom besluit de man te vragen of hij de hamer kan lenen. Dan begint hij te twijfelen: “Wat als de buurman mij de hamer niet wilt lenen? Gisteren groette hij ook al nauwelijks. Misschien had hij haast. Of deed hij alleen maar of hij haast had en heeft hij eigenlijk iets tegen mij? Maar wat dan? Ik heb hem niks gedaan. Hij beeldt zich maar wat in. Wanneer iemand van mij gereedschap wilt lenen, geef ik het hem meteen. En waarom hij dan niet? Hoe kan iemand een medemens zo’n eenvoudig verzoek weigeren? Zulke mensen zijn de pest voor de buurt. En dan verbeeldt hij zich vast ook nog dat ik op hem aangewezen ben. Gewoon omdat hij wel een hamer heeft. Nou ben ik het werkelijk zat!”

En de man stormt zijn deur uit en belt aan bij de buren. De buurman doet open, maar nog voor hij kan groeten, schreeuwt onze man hem toe: “Weet je wat jij kan? Jij kan die hamer in je haar smeren, eikel!”

Don’t judge to quickly, we won’t

24 Okt

Aannames kunnen mooie dingen op een afstand houden

14 Sep

Door Laura Donker

Tijdens een van mijn laatste reizen kwam ik een passagier tegen die tien jaar geleden een dwarslaesie had opgelopen tijdens een middag zwemmen. We raakten aan de praat over zijn situatie. Hij was erg opgewekt en hij straalde niets uit wat medelijden op kon wekken. Sterker nog hij straalde een bepaalde positiviteit uit wat me erg intrigeerde. Hij gaf aan dat hij hoop had, deze was gevestigd op een onderzoek wat waarschijnlijk als resultaat zal hebben dat hij over tien jaar weer kan lopen. Veel dingen die deze man me vertelde raakten me, hij had meer oog voor de kleine dingen in het leven, kon genieten van kleine momenten, had meer rust gevonden.

Wat me erg is bij gebleven is hetgeen hij vertelde over zijn aannames en hoe deze hem soms nog meer belemmeren dan zijn dwarslaesie zelf.

Hij had zich er bij neergelegd dat hij bepaalde dingen niet meer zou kunnen doen, dat hij bijvoorbeeld niet meer zou kunnen zeilen, nooit zou kunnen parachute springen, niet meer zou kunnen bungeejumpen. Tot hij op een dag in aanraking kwam met een organisatie in Maarssen die mensen met een handicap ondersteunen in het zelfstandig kunnen zeilen. Van het een kwam het ander tot hij op een dag alleen in een bootje aan het zeilen was. Hij heeft nu zelfs plannen om mee te doen met de paralympics!

Na onderzoek bleek dat hij veel meer kon dan waar hij op had gehoopt, hij kon parachute springen, hij kon bungeejumpen om maar een paar voorbeelden te noemen. Toch is hij er niet meteen mee begonnen. Hij gaf aan dat zijn hoofd niet meewerkte, die kon het allemaal nog niet bevatten, die zond nog steeds informatie uit dat hij dat allemaal niet meer zou kunnen vanwege zijn dwarslaesie.

Dit hebben we allemaal, ideeën in ons hoofd die ons er van overtuigen dat we dingen niet zouden kunnen. We verzinnen allemaal redenen, ik ben niet mooi genoeg, niet slim genoeg, heb niet genoeg tijd, niet genoeg geld etcetc. Dit zijn excuses, zet ze overboord en ga doen wat je wilt doen. Onderzoek die aannames die jou belemmeren te doen wat je wilt.

Wat zijn jouw excuses?